Nullijn voor rijksambtenaren?
CGMV-lid worden

In gesprek met koster Albert Altena

 

Albert Altena is jarenlang voorzitter geweest van de werkgroep CGMV kosters. Nu is hij met pensioen en blikken we met hem terug op zijn loopbaan als koster.

 

Hoe ben je koster geworden?

“Op een of andere manier heeft het kosterschap mij altijd in het bloed gezeten, vanaf mijn achttiende. We kerkten in de aula van de Technische School en daarom moesten er tafels versleept worden als er avondmaal was. Zo ben ik erin gerold. Toen we in 1983 naar Baalder verhuisden werd ik hulpkoster voor Baalder; op 6 december 1991 werd het Morgenlicht geopend.”

 

 Die datum weet je nog precies…

“Ja, want er was een beetje paniek omdat de stoelen te laat kwamen. Alle poten zaten nog in plastic. Het was kantje boord of het op tijd klaar was, maar gelukkig kon de kerk op 6 december in gebruik worden genomen.”

 

Wat trok je zo aan in het koster-zijn?

“Ik zocht iets in de wereld van huismeester, conciërge of koster. Dat je dienstbaar bent voor een ander. Ik ben opgeleid tot lasser, maar bleek gevoelig voor lasogen. In 1975 werd ik fietsenmaker en dat kon ik combineren met parttime kosterschap. In januari ‘93 kon fulltime als koster aan de slag. In de jaren negentig groeide het hier enorm. Er waren veel jonge gezinnen en het gereformeerde leven stond nog fier overeind: de vakbond, de politiek, met z’n allen naar de Schooldag.”

 

Kijk je er met nostalgie op terug?

“Op sommige dingen wel, ja. Op de hechte band en de tweede dienst op zondag. Tegelijkertijd hebben we ook wel een beetje krampachtig geleefd. Dat alles gereformeerd moest zijn bijvoorbeeld. Maar de eenheid die er toen was, daar kijk ik goed op terug.”

 

Er gaan wel eens dingen mis, natuurlijk.

“Ik was eens vergeten water in de doopvont te doen. Bea zag geen doekje liggen, ze stootte me aan en vroeg: ‘Zit er wel water in?’ Toen ben ik snel water gaan halen. Later zeiden mensen dat ze het mooi vonden dat ik er geen koud water in had gedaan.”

 

Het ledenaantal van Baalder en Baalderveld groeide. Er kwamen hulpkosters bij, maar jij bleef de enige koster.

“Dat was aanpoten door de week, en dat leidde in 2008 tot een burn-out. Ik ben er negen maanden uit geweest en heb er altijd iets kwetsbaars aan overgehouden. Dat raak je nooit meer kwijt.”

 

Hoe kwam je weer terug?

“De bedrijfsarts vond dat er duidelijkheid moest komen over mijn werkzaamheden. Koster-zijn is meer dan een glaasje water op de preekstoel zetten. Toen kwam er een koster bij voor tien uur in de week. Ik heb me wel altijd gesteund gevoeld door de gemeente, ook tijdens mijn burn-out.”

 

En toen kwam corona.

‘Ik zat als koster in de covid-commissie en voelde me verantwoordelijk. Het was best pittig, want je moest de boel in de gaten houden. Vooral de onzekerheid gaf stress. We werden een keer gebeld dat iemand bij thuiskomst na de dienst besmet bleek. Toen moesten we degenen die in de buurt hadden gezeten persoonlijk bellen. Ik vond het lastig dat ik werd aangesproken op het beleid. Sommigen vroegen dan: ‘Waarom kan dit of dat niet?’”

 

 Hoe is het om in deze tijd koster te zijn?

‘Er zijn minder activiteiten, want alles moest na corona weer op gang komen. En er is veel veranderd. Het kerkbezoek is behoorlijk minder en na corona hebben we eigenlijk geen middagdiensten meer gehad. Mensen lijken niet meer zo gemotiveerd.”

 

Heb nog tips voor een 18-jarige die koster wil worden?

“Je moet kunnen omgaan met mensen en in dienst willen staan van God. Daarom is koster-zijn een functie naar mijn hart en heb ik het met plezier gedaan. Mijn tip luidt: zorg dat je partner er helemaal achterstaat. Toen de kinderen klein waren moest ik vaak om kwart over zeven ’s avonds weg. Gelukkig is Bea er altijd geweest. Ook ben ik God dankbaar, want zonder Hem had ik het niet kunnen doen.”

 

En nu ben je met pensioen.

“Op 30 augustus 2025 was mijn afscheidsavond in de kerk, georganiseerd door kinderen, kleinkinderen en een paar mensen uit de gemeente. Het was een geweldige avond met veel zang en muziek, want daar houd ik van. En als klap op de vuurpijl werd ik benoemd als lid in de orde van Oranje Nassau!”

 

Tekst: Rik Meijer